Twee jaar telde hij al af, sinds het lentefeest van zijn oudere broer. Hij wist dat hem hetzelfde te wachten zou staan: volledig in het nieuw, familie gul met centen en cadeaus, lekker eten en vooral: het felbegeerde totemdier. En het deed hem zichtbaar goed om op zijn eigen lentefeest eens niet gewoon in het midden, maar in het midden van de belangstelling te staan.
Je zal maar geprangd zitten tussen een grote, snelle, manipulerende broer die ook nog een beetje een zorgenkind is en een schattig jonger broertje dat na een zware ziekte ook precies weet hoe hij zijn omgeving kan sturen. V., rustig en braaf, wordt zo dikwijls ongewild over het hoofd gezien. Als hij dan toch eens zijn keelgat openzet, weet je dat het menens is. En nemen wij ons heilig voor hem standaard wat meer aandacht te geven. Om dit terstond weer te vergeten zodra de oudste een crisis heeft of de jongste begint te brullen.
Als mijn kinderen bij niet-familieleden of kennissen ter sprake komen, probeer ik V. systematisch bij naam te noemen en niet over ‘mijn middelste zoon’ te praten. Het klinkt een beetje, tja, middelmatig, alsof hij minder belangrijk is dan de oudste of de jongste wat natuurlijk niet zo is. Waarop de gesprekspartner steevast repliceert: “V., dat is de middelste, zeker?”.
Nochtans, het is het schelleke salami dat de sandwich maakt.