La casa de conchita

Een blog over Mexico, opgroeiende zonen en la vida loca

Sandwichkind

Twee jaar telde hij al af, sinds het lentefeest van zijn oudere broer. Hij wist dat hem hetzelfde te wachten zou staan: volledig in het nieuw, familie gul met centen en cadeaus, lekker eten en vooral: het felbegeerde totemdier. En het deed hem zichtbaar goed om op zijn eigen lentefeest eens niet gewoon in het midden, maar in het midden van de belangstelling te staan.

Je zal maar geprangd zitten tussen een grote, snelle, manipulerende broer die ook nog een beetje een zorgenkind is en een schattig jonger broertje dat na een zware ziekte ook precies weet hoe hij zijn omgeving kan sturen. V., rustig en braaf, wordt zo dikwijls ongewild over het hoofd gezien. Als hij dan toch eens zijn keelgat openzet, weet je dat het menens is. En nemen wij ons heilig voor hem standaard wat meer aandacht te geven. Om dit terstond weer te vergeten zodra de oudste een crisis heeft of de jongste begint te brullen.

Als mijn kinderen bij niet-familieleden of kennissen ter sprake komen, probeer ik V. systematisch bij naam te noemen en niet over ‘mijn middelste zoon’ te praten. Het klinkt een beetje, tja, middelmatig, alsof hij minder belangrijk is dan de oudste of de jongste wat natuurlijk niet zo is. Waarop de gesprekspartner steevast repliceert: “V., dat is de middelste, zeker?”.

Nochtans, het is het schelleke salami dat de sandwich maakt.

Advertenties

De geur van verse gember

Uit de periode van ons prille ouderschap herinner ik me nog een jammerlijke poging met biogroenten-recht-van-de-boer. Het pakket diende elke week opgehaald te worden en bestond haast onveranderlijk uit onbekend groensel waarvan we het bijgevoegde recept ‘morgen’ zouden uitproberen. Wat er op neerkwam dat, vóór ik het nieuwe pakket ging ophalen, ik het oude meestal bij het konijn kieperde.
In de jaren die volgden breidde het gezin verder uit en schakelden werk en gezin in een hogere versnelling. Bij bezoek dat mee aanschoof aan tafel, haalden we nog wel alles uit de kast. Maar in de ratrace raakten verse niet-alledaagse groenten en kruiden onherroepelijk in het verdomhoekje. Groenten uit blik en diepvries zijn nu eenmaal praktisch en de laatste zeker niet ongezond! In een druk gezin leveren ze lekkere en vooral snelle maaltijden. Doordat ik altijd laat werkte, raakte mijn rol in de keuken meer en meer beperkt tot het achteraf opruimen van het slagveld in plaats van zelf te koken.
Toen ik onlangs zonder werk kwam te zitten, kwam de tijd en de zin terug om zelf opnieuw in de potten te roeren. Tot verbijstering van mijn zonen. “Pápa kookt toch?” “Kún jij wel koken?” Een nieuwe man in huis blijft dus niet zonder gevolgen: mijn zonen zijn tot nog toe opgegroeid met de idee dat het de man is die gebruikelijk aan het fornuis staat. Ik droom al van een prima verstandhouding met mijn toekomstige schoondochters!
Ook de jongste is bij het woordjes leren overtuigd: hij associeert bepaalde woorden expliciet met zijn naaste familieleden. Wasmachine is oma want zijn knuffel dient daar steeds een onderhoudsbeurt te krijgen en keuken is… papa! Ik moet mijn terrein dus opnieuw zien te veroveren. Aanvankelijk speel ik op zeer veilig – spaghetti bolognèse, bloemkoolgehaktpuree-ovenschotel, hesprolletjes gevuld met eiersla, … het klassieke kinderverlanglijstje.
En dan komt er plots een recept uit Amerika overgewaaid… H., ook zonder job maar zonder kids aan de rokken, leeft zich helemaal uit in haar keuken. Ik smelt bij de foto’s van haar gerechten en ontfutsel haar het recept voor een currygerecht met kip. Sowieso al een succesrecept hier in huis maar H.’s versie heeft meer pit door de marinade, extra kruiden en verse gember. In de supermarkt twijfel ik nog even om zuinig bij het kruidenpotje te blijven maar ik koop toch de verse gember. Als ik hem thuis fijn snij, overvalt de geur me compleet. Hoe lang is dit geleden? De geur van verse gember die de hele keuken inpalmt, die geur die in mijn handen blijft hangen. Ik voel me op slag exotisch.
Wat ruikt het hier lekker, zegt D. als hij thuiskomt. De jongens lachen me uit omdat ik gezegd heb dat het ‘recept van tante H. uit Amerika’ pikant is. Er blijft geen likje over achteraf. Het was lékker!

Drie!

Drie! Hij zegt het vol overtuiging maar aarzelt nog een beetje bij het aantal vingertjes dat hij in de lucht steekt. Mijn jongste is drie jaar geworden! Ik moet even slikken want twee jaar is, ondanks de peuterkuren, toch mijn favoriete kinderleeftijd.
Ik krijg helemaal een postpeutertrauma als S. naar de kamer van zijn broers verhuist. “Je bent een softie, straks ligt hij op zijn vijftiende nog op onze kamer”, gromt zijn vader. Hij heeft gelijk, en tegelijk ril ik bij zo veel onherroepelijkheid. S. begrijpt er niets van: eerst is het leuk en spannend maar als hij beseft dat hij op de nieuwe kamer moet blijven, is het brullen geblazen. Papa wijkt echter niet, ondanks de opstoot van peuterwoede.
Geen ‘bommetje’ meer dat zich luidkeels uit zijn bed bovenop het onze laat vallen. Geen peuterende vingertjes meer die bij het eerste ochtendgloren vakkundig ouderlijke oogleden openduwen. Geen knuffelbeesten die je om de oren worden geslagen. De haast vergeten luxe van privacy! Maar onze slaapkamer lijkt ineens zo groot, zonder Siemons bedje.
Ik kruip verweesd onder de lakens en ben stiekem blij als papa tegen de ochtend een angstige, huilende kleuter naast mij legt. Neus tegen neus, zo lagen we ook in ditzelfde bed toen hij pas geboren was. Ik koester dit moment, want ze zullen zeldzamer en zeldzamer worden. Het is bijna een dierlijk gevoel maar ik heb mijn jong, mijn piepkuiken graag dicht bij mij.
De volgende avond kruipt S. zonder verpinken in ons bed. “Ik leg hem straks als ik kom slapen wel in zijn eigen bed”, argumenteert zijn vader. Dus vind ik later op de avond opnieuw mijn klein, klein kleutertje naast mij. En wordt hij later op de avond inderdaad ongenadig naar zijn eigen bedje afgevoerd. Waarna D. tot mijn verbazing het licht op de gang aan laat en de slaapkamerdeur wagenwijd openzet. “Voor de veiligheid”, gromt het dekbed. “Softie!”, plaag ik. En leg stiekem alvast een hoofdkussen tussen ons in.
Van de drie broers heeft S. het langst op onze kamer geslapen. Dat kwam voor een deel door zijn zware ziekte van vorig jaar. Of was het omdat hij de laatste zou zijn? Meestal slaan mijn hormonen op hol zodra het jongste kind naar een eigen kamer verhuist. Maar je kan natuurlijk niet blijven gezelschapsbaby’s produceren… Drie! Het is genoeg. Geen hoogzwangere ganzenpas meer. Gedaan met onderbroken nachten, vieze luiers, gedoe met papjes en gesleur met buggy’s. Geen kinderen meer. Tenzij kant en klaar geleverd op de leeftijd van twee jaar.

Perrrfect Nederlands!

Het is voorbij. Drie maanden lang ben ik gaan voorlezen bij Dilara en Ilayda, twee Turkse meisjes van vijf en zeven. Het voorleesproject was eigenlijk gericht op vijfjarigen maar broertjes en zusjes kon je natuurlijk moeilijk uitsluiten. En regelmatig had ik er nog een paar vriendjes of vriendinnetjes bij – opvallend: ook altijd Turks. Mijn nieuwe publiek van overwegend meisjes was beduidend woeliger dan mijn zonen die altijd braaf en vol overgave luisteren. Ilayda, het oudste zusje daarentegen was alomtegenwoordig, koos de boeken, wilde zelf voorlezen, stond in de zetel alles uit te beelden, …
Het duurde enige weken voor ik het een beetje kon sturen door haar af en toe zelf een stukje te laten voorlezen. Dat deed Ilayda met overgave, ze las zo enthousiast dat ze woorden oversloeg of maar half las (en zo werd Prinses Gloria Prinses Gorilla…). Ik verbeterde haar vriendelijk maar consequent en plaagde haar dat ze perfect Nederlands moest kunnen spreken. Dat herhaalde ze dan altijd lachend, “perrrfect Nederlands”, rollend met de ‘r’ en met de ogen en dan maar gieren. Maar inmiddels is haar lezen er wel flink op vooruit gegaan!
Het was wel even wennen, voorlezen voor meisjes. Thuis was het leesvoer voor het uniform mannelijke leespubliek beperkt tot ridders, piraten, dino’s, stripverhalen. En nu mocht ik uitsluitend sprookjes en prinsessenboeken aanslepen! Maar week na week smokkelde ik ook andere boeken in het leeskoffertje… En het sloeg aan bij de meisjes, zo lang de prinsessen niet helemaal uit beeld verdwenen. En niemand was zo populair als Ariel, de zeemeermin!
Het wonder geschiedde ook in omgekeerde richting. Mijn zonen snuffelden al eens in de klaargelegde bibvondsten en waarachtig, zelfs een prinsessenverhaal mocht thuis al eens voorgelezen worden! Mijn voorleesrepertoire is er ook op vooruitgegaan (lees: nog meer stemmetjes en drama dan voorheen).
Ik zal het missen. En de meisjes mij ook, denk ik. Ik herinner me nog de voorbereidende bijeenkomst met de andere voorlezers. Onze ‘instructrice’ beweerde enthousiast dat, ook al zijn we geen perfecte voorlezers, die voorleesmomenten voor de kinderen (die thuis weinig of niet met boeken in aanraking komen) een ervaring zouden zijn die ze nooit zouden vergeten. Zou het? En ze lezen nog lang en gelukkig?

Afscheid van bomma

Een week geleden verloor ik mijn geliefde bomma. Dit is de afscheidstekst die ik voor de mis schreef.

Ik wil als oudste kleinkind, graag een woordje zeggen over bomma, vooral in naam van al haar kleinkinderen en achterkleinkinderen.

Ik ben haar oudste kleinkind en de eerste jaren heeft ze ’mij opgekweekt’. Wat ik me daar nog van herinner, is de wandeling naar de vijver in Kraainem om de kokotjes te voeren en de jaarlijkse Paasvakantie aan zee. Thuis bij bomma en bompa gebeurden er ook wonderlijke zaken: mijn vlees werd niet gesneden maar in kleine stukjes geknipt. Bomma smeerde niet alleen mijn boterhammen maar ook die van bompa. Hij mocht van zijn soep slurpen, ik niet.

We herinneren ons ook allemaal de tuin in hun huis in Kraainem, met de seringenboom en de ronde borduurkes naast het pad. Als ik bij de buurkinderen Sabine en Jean-Marie wilde gaan spelen, mocht ik zeker niet over de draad klimmen. Ik moest op een tabouretje staan en werd zo over de draad gehesen want die draad, die mocht zeker niet gaan doorhangen. Bij bomma thuis was alles in orde en bleef het ook in orde.

Zo had ik als kind eens een ongelukje en dat  durfde ik niet bekennen dus ik zwierde mijn vuile onderbroek ergens achter een kast. Maar dat was natuurlijk buiten bomma gerekend. Een paar uur later zag ik tot mijn verbijstering mijn onderbroek proper gewassen aan de wasdraad hangen. En ze liet me in mijn prille waardigheid want er werd geen woord aan vuil gemaakt.

Wij zullen ons bomma herinneren als een trotse, sterke, gulle en goedlachse vrouw.

Trots: ze was altijd mooi opgekleed, diadeem in de witte haren.

Sterk:  na de dood van bompa vijf jaar geleden hield ze zich meer dan staande. Tot je 87e elke dag zelf je eigen potje koken en nog zelf je hele appartement onderhouden, je moet het maar doen.

Gul:  met snoep en speelgoed voor de kleintjes en regelmatig ‘ne sens’ voor iedereen. Maar we zullen ons vooral herinneren hoe gul ze was met liefde. Van haar kleinkinderen heeft ze zeker genoten, van haar achterkleinkinderen des te meer. Er zijn er  twee op komst en zes lopen er al rond: Aleksander, Vinsent, Siemon, Lena, Matteo en Jasper, ‘Zhasper’ zoals bomma altijd zei. Bomma had vaak last van een pijnlijke arm maar als je een baby-achterkleinkind in haar armen legde was er van die slechte arm geen sprake meer en kreeg je amper je baby nog terug.

Goedlachs: bomma kloeg zelden maar soms toch wel eens dat ze versleten was. Versleten? Ze was  nochtans altijd te vinden voor een partijtje ballengooien met haar oudste achterkleinkinderen. En bomma had het meeste pret van allemaal!

Bij die achterkleinkinderen zijn er vijf jongens en één meisje, allemaal even geliefd bij bomma maar die ene achterkleindochter (en dus een viergeslacht) was toch iets speciaals. Toen ik in verwachting was van onze derde zoon, en dus duidelijk werd dat ik bomma die achterkleindochter niet zou schenken, besloten we om onze derde zoon als eerbetoon naar bomma te noemen.

Ik hoop dat er in de 2 kinderen, de  5 kleinkinderen en de 6 achterkleinkinderen en nog 2 op komst iets van bomma zal verder leven. Voor Siemon, nu 2,5, kan ik dat al bevestigen. Siemon vult spontaan de afwasmachine en maakt ze weer leeg, poetst de frigo en veegt de vloer. Iedereen die bomma heeft gekend, zal hier wel haar typische kuiswoede in herkennen…

Bomma bakte ook heerlijke appeltaart of nog populairder was de cake, in familiekring beter bekend als de quatre-carts. Maar elke keer was er volgens bomma iets misgegaan: de taart had niet lang genoeg gerezen, of de quatre-carts had de ene keer te kort en de andere keer dan weer te lang in de oven gezeten. Maar er klopte nooit iets van: taart en cake waren elke keer perfect en iedereen smulde ervan.

Scrabbelen, dat zal zonder bomma ook nooit meer hetzelfde zijn. Bomma had een aantal legendarische uitspraken en eentje daarvan was: “het is een vies spel!” Een vies spel was als we met de woorden in een hoekje van het scrabblebord bleven hangen. Maar ook als we mooi over het hele spelbord uitwaaierden, bleef het eindoordeel bij bomma: “het was toch wel een vies spel!”  Vies spel of niet, feit is dat ze, ook ver de tachtig voorbij, bij het scrabbelen heel vaak won. En dikwijls met een genadeloze voorsprong op kinderen en kleinkinderen.

Wij gaan bomma heel erg missen. Ook al was ze al 87, we zijn allemaal enorm geschrokken dat we haar zo onverwacht en zo snel zijn verloren, zonder afscheid te kunnen nemen. Maar het is een troost  dat ze niet lang heeft moeten lijden, dat  we haar zo lang bij ons mochten hebben en ze nu terug bij bompa is.

Laten we om haar niet te vergeten haar favoriete uitspraken blijven bezigen: “da’s toch nen ouwe” (ook al is die persoon een stuk jonger dan jezelf), “gien belet?” om ergens vrolijk binnen te vallen,en ”ghet veu aa geld” (je hebt voor je geld, b.v. bij een geslaagd restaurantbezoek). En we kunnen misschien ook allemaal een nieuwe hobby kiezen uit bomma’s geliefkoosde bezigheden: kuisen, cake bakken, Duitse schlagers beluisteren, kruiswoordraadsels oplossen of de Dag Allemaal lezen, …

Ik ga besluiten met een laatste legendarische uitspraak van bomma, voor straks bij de koffietafel:  “Een goei zhat kaffe, da zal ons erzetten”!

Vaarwel, bomma.

Dinnie Dino Een verhaal voor Vinnie

Er was eens een kleine dino. Hij heette  Dinnie Dino en had piekharen en sproetjes op zijn snuit. Dinnie Dino woonde met zijn pappie en mammie en dinobroertjes in een grote grot. Toen Dinnie zes jaar werd, moest hij met zijn pappie en grote broer op jacht. Hij  moest leren groenten vangen maar dat vond Dinnie Dino helemaal niet leuk. Hij had maar korte pootjes en de groenten liepen veel sneller dan Dinnie. “Je moet meer groenten eten zodat je groeit”, zeurde mammie Dino, “je bent zo mager als een schriele kip!” En ze gaf hem een extra groot bord met groenten.  Bah! Toen verstopte Dinnie Dino zich in een hoekje van de grot. Pappie Dino vond hem niet toen hij op jacht wilde vertrekken. Mammie Dino vond hem ook niet toen ze zijn bord wilde controleren.  En toen deed Dinnie Dino iets héél ondeugends. Met zijn vork maakte hij de groenten helemaal plat tot hij een groene smurrie had. En met die smurrie maakte hij op een rotswand in de grot een prachtige tekening. Hij kroop uit zijn hoekje en vroeg mammie Dino een extra bord groenten. Maar wel oranje groenten! Mammie Dino was heel blij dat Dinnie Dino plots zo flink groenten at en ze gaf hem een groot bord oranje groenten. Dinnie Dino kroop terug in zijn hoekje en …hij maakte oranje smurrie en opnieuw een prachtige tekening!  Dinnie Dino vroeg zijn mammie  toen een bord rode groenten. En hij maakte rode smurrie en een schitterende rode tekening! En met het bord gele groenten maakte Dinnie Dino…, jawel, gele smurrie en een supermooie gele tekening!

Toen pappie Dino terugkwam van de jacht, vertelde mammie Dino dat Dinnie Dino zo flink groenten had gegeten. Wel vier borden! Als hij rustig in zijn eentje kon eten, dan lukte het wel.  Alleen moest pappie Dino nu veel meer groenten vangen!  Dinnie Dino hoefde niet meer mee. Omdat hij nu zo flink groenten at, wilde mammie Dino dat hij eerst wat zou groeien voor hij weer op jacht ging. Dinnie Dino vond het best. ’s Avonds kwamen zijn pappie en grote broer terug van de jacht met een hele berg groenten in alle kleuren. Mammie Dino maakte een hele voorraad klaar voor haar kleine schriele kip die nu wel snel een flinke dino zou worden. Dinnie Dino kroop in zijn hoekje, verstopte zijn vier borden groenten en wachtte tot iedereen ging slapen. Dan stond hij stiekem op, maakte vier borden smurrie van de groenten en schilderde weer prachtige tekeningen op de rotswanden. Zijn smurrie was snel op, dus nam hij een grote voorraadpot groenten die mammie Dino had klaargemaakt. Daar maakte hij een reuzeboel smurrie van en een reuzetekening! Dinnie Dino was zo ijverig aan het schilderen dat hij vergat dat hij in de  donkere hoekjes van de grot moest blijven zodat niemand zijn smurrietekeningen zou ontdekken. Hij nam de ene groentenpot na de andere, maakte telkens nieuwe smurrie en schilderde de hele grot vol! Hij had zelfs nog smurrie over en schilderde ook de rotsen buiten de grot vol met kleurrijke tekeningen. Toen de zon opkwam, viel Dinnie Dino uitgeput in slaap. Toen pappie, mammie en de broertjes Dino ’s ochtends wakker werden, keken ze vol verbazing in het rond. Alle rotswanden in de grot waren beschilderd met wondermooie groene, rode, oranje en gele tekeningen! Maar toen ontdekte mammie Dino dat haar hele voorrraad groenten verdwenen was. En dat Dinnie Dino geen groenten had gegeten maar ermee had geschilderd! Toen mammie Dino buiten de grot de slapende Dinnie Dino vond, wilde ze hem eens flink aan zijn dino-oren trekken. Maar plots trok pappie Dino haar en de broertjes Dino snel achter de struiken. Wat gebeurde er? Van achter het struikgewas zagen ze van overal groenten toestromen. Groene, rode, oranje,  gele groenten verzamelden voor de grot en keken vol verwondering naar de prachtige, kleurrijke tekeningen. Ze merkten zelfs de slapende Dinnie Dino niet op.  De groenten waren zo nieuwsgierig dat ze niet meer opletten of er geen gevaarlijke dino’s in de buurt waren. Ze slopen de grot binnen om nog meer van die fantastische tekeningen te bewonderen. “Kom op”,  zei pappie Dino vanachter de struiken, “dit is onze kans!” En toen alle groenten in de grot waren, schoven de Dino’s snel een paar rotsblokken voor de ingang. De groenten waren gevangen en begonnen te gillen! Dinnie Dino schrok wakker van al dat lawaai. “Wat is er aan de hand?”, vroeg hij slaperig. “Goed gewerkt, zoon!”, zie pappie Dino. “We hoeven nooit meer op groenten te jagen, ze komen vanzelf naar jouw tekeningen toe en dan kunnen we ze vangen”. En dus verhuisde de Dino-familie naar een andere grot die Dinnie Dino ook weer helemaal beschilderde. En van zijn groenten bleef hij lekker smurrie maken.

Zebra

S. en Zebra, zijn knuffel, daar komt niemand tussen. En zeker geen Andere Zebra. Tante B. heeft me net een nieuwe zebraknuffel toegestopt , moeizaam gevangen samen met nonkel S. op de kermis te L. Het is een prachtexemplaar: ronde snoet, warrig haar, beweeglijke pootjes, superzacht. En vooral: nieuw. Uiterlijk heeft hij dezelfde kenmerken als Zebra maar hun verschil in uitzicht kan niet schrijnender zijn. Na de laatste logeerpartij vond tante B. het blijkbaar welletjes: haar geliefde petekind dat het moet stellen met een afgewassen zebraknuffel met nog slechts 1 oog!
Ik ben alvast blij met een extra zebra-exemplaar. Eén van de eerste zaken die ik als aanstaande mama in mijn oren knoopte (gedistilleerd uit tientallen raadgevingen uit even zo veel ‘praktische handleidingen voor de opvoeding van uw kind’), was: ‘voorzie steeds een reserve-exemplaar van de lievelingsknuffel van uw kind’. Desondanks , toen onze oudste als peuter Onijn, zijn knuffelkonijn, kwijtspeelde, was dat een traumatische gebeurtenis. Meer voor ons dan voor hem, maar bon, da’s een ander verhaal…
Vorige zomer , op uitstap in Eurodisney, verloren we het reserve-zebra-exemplaar (ook van tante B. gekregen trouwens). S. merkte het niet echt maar ging zich wel nog meer hechten aan Zebra. Waar S. is, vind je Zebra meestal ook. Laatst, tijdens een ontspannend wandelingetje langs het water, duikelde Zebra bijna de Schelde in en kwam ik supergestresseerd thuis. Het drama zou niet te overzien zijn geweest! En ook al is de oorspronkelijke knuffel onvervangbaar, een onmiddellijk beschikbaar reserve-exemplaar zou toch enig soelaas bieden.
Ik ben benieuwd hoe S. op de nieuwe knuffel zal reageren. Als A. hem tevoorschijn tovert uit zijn boekentas, trekt S. grote ogen. Een Andere Zebra? Hij is wel blij en geeft hem een knuffel. Maar als we even later naar het park vertrekken, dénkt hij zelfs niet meer aan zijn nieuwe vriendje. S. grijpt automatisch naar Zebra en zo waggelen ze samen door de gang, onafscheidelijk.
Bij het slapengaan grabbel ik de knuffels allebei mee. Bij het pyama aandoen gaat alles nog goed maar als we in de slaapkamer zijn, wordt S. hysterisch. Ik begrijp niet wat er aan de hand is. S. is nogal strikt qua bedritueel: er is een resem ‘ to do’s’ en de volgorde moet absoluut gerespecteerd worden. Het begint met de aankondiging dat we gaan slapen, dan vraagt hij zijn ‘piep’ (snoepje), tut en Zebra worden verzameld, we gaan naar boven, hij doet het licht in de badkamer aan, hij poetst zijn tanden, dan doe ik hem een verse pamper en pyama aan, ik was zijn gezicht en handen, hij doet het licht in de badkamer uit, het licht in de gang idem, het licht in de slaapkamer aan, we dollen nog wat samen in het grote bed (hij doet alsof hij daar in slaap gaat vallen en dan moet ik aan zijn benen trekken), hij klautert uit bed, doet het licht uit, de deur toe (TOE!), we kijken nog even door het raam (alle peuters liggen al láng te slapen), ik leg hem in bed met tut en Zebra, hij wil nog even drinken (ik moet het water in de beker verversen dus deur slaapkamer open, licht in gang aan, licht in badkamer aan, beker vullen, licht in badkamer uit, terug naar de slaapkamer, beker aan S. geven, hij drinkt, ik zet beker weer weg, geef hem opnieuw tut en Zebra en dek hem lekker toe (voeten helemaal onder het dekentje), wens hem welterusten en ga de slaapkamer uit (deur TOE). Zoals je ziet, een héél eenvoudig slaapritueel , waarbij insinuaties van D . dat S. me volledig manipuleert en dat bij hem het bedritueel veel korter is, zonder poespas én zonder protest, uiteraard volkomen onterecht zijn.
Maar nu loopt het dus al in het begin mis. Ik moet een brullende S. loslaten en ook de twee zebraknuffels die op de grond vallen. Wat zich dan afspeelt, is ronduit hilarisch. S. grijpt Andere Zebra, loopt woest de gang in en zwiert hem met een gigantische zwaai de badkamer in. Dan komt hij terug, pakt Zebra op en klautert vrolijk op het grote bed waar we het hele ritueel verder vlotjes afwerken. Zebra heeft meer dan een streepje voor: Andere Zebra wordt liefdevol aanvaard maar er is geen spráke van dat hij bij Siemon in bed mag, zelfs niet op de slaapkamer. Als ik terug in de gang sta, kan ik mijn lach niet meer inhouden. Ja, S. en Zebra, daar komt niemand tussen. En zeker geen Andere Zebra. Maar hoe moet ik dát aan tante B. vertellen?